Laat de wieger leven!

Teken de pititie door op bovenstaande link te klikken!
Musea onder vuur. Ook de Wieger in Deurne moet er aan geloven !
De oude Hendrik Wiegersma was een lastig man, weliswaar fameus als de dorpsdokter van Deurne voor de tweede wereldoorlog, maar altijd in gevecht met het gezag, kerkelijk zowel als burgerlijk, beide ouderwets; dat werd hem nooit in dank afgenomen.
Maar hij heeft wel zijn stempel gedrukt op het dorp; hij heeft er cultuur binnen gebracht. Zijn huis De Wieger was een ontmoetingsplek voor schrijvers en kunstenaars, ook voor de medewerkers van “ De Gemeenschap” de avant-garde actiegroep van de jaren dertig en veertig van vorige eeuw die de gezapige machtstructuren van het ouderwetse katholicisme in Zuid Nederland aantastte. En die een bepalende rol gespeeld heeft bij de emancipatie van de Nederlandse katholieken. Wiegersma was bevriend met de schrijvers Albert Helman, Jan Engelman, Antoon Coolen, en met de schilders Joep Nicolas, Otto van Rees en Jozef Cantré. Ook internationaal bekende kunstenaars als Zadkine, Kogan en Cingria leverden via bemiddeling van Wiegersma en Van Rees bijdragen aan “De Gemeenschap”. Tussen de Kerk en Wiegersma is het nooit meer goedgekomen. Maar de emancipatie was degelijk ingezet.
Lokale herkenbaarheid.
De Gemeente Deurne had de oude doktersvilla “ De Wieger” in bezit evenals de collectie van een groot aantal werken van de schilder-dokter en tijdgenoten die door zoon Pieter Wiegersma bijeen was gebracht. Van de nood een deugd makend besloot de Gemeente tot bestemming als museum. In 1976 werd gemeentemuseum De Wieger opgericht, met inzet van ambtenaren voor de werkzaamheden. 10 jaar later werd De Wieger ondergebracht in een Stichting, die als taak kreeg gebouw en collectie te beheren en bijdragen te leveren aan het culturele klimaat, uiteraard tegen betaling van de kosten, want gebouw en collectie veranderden niet van eigenaar. Ambitieuze en deskundige directeuren als Agnes Grondman, Rob Smolders en nu de part-timer Frank Lubbers en bovendien de meer dan 40 onbetaalde vrijwilligers hebben gezorgd voor een museum van nationale bekendheid met een representatieve collectie van schilderijen uit de periode tussen de twee wereldoorlogen, “het interbellum”. Het gebouw is een “Rijksmonument”.
De Wieger heeft Deurne op de kaart gezet, niet alleen vanwege de schilderijen van Hendrik maar ook door het “Het Dorp” van Friso Wiegersma, waardoor Deurne wereldberoemd werd in Nederland omdat Wim Sonneveld het “tuinpad van mijn vader” zo lyrisch bezongen had. Maar er is meer dan dat: jaarlijks bezoeken alle leerlingen van het basisonderwijs het museum en nemen daar deel aan kleine kunstprojecten die uitmonden in kleine tentoonstellingen. Er worden landelijk aandacht trekkende exposities gehouden, betaald door sponsors en nationale kunstfondsen. En ga zo door; jonge kunstenaars wordt de gelegenheid tot expositie geboden, er worden lezingen gehouden en cursussen georganiseerd. Deurne trekt mede door De Wieger de positieve aandacht.
Deurne moet ingevolgde de monumentenwet van 1988 het“rijksmonument” De Wieger in goede staat onderhouden. Het instandhouden van de verzameling van schilderwerken is weliswaar geen wettelijke verplichting, maar elke gemeente heeft als taak haar culturele eigendom “als goed huisvader” te beheren; voorts behoort zij te voorzien in de culturele vorming van de jeugd. En dat is vooral eigen belang: cultuur draagt er in beduidende mate toe bij dat mensen een bepaalde plaats verkiezen boven een andere om te wonen, te recreëren of een bedrijf te vestigen. Dat geldt overigens evenzeer voor andere voorzieningen w.o. gezondheidszorg, onderwijs, muziek, theater en een goede infrastructuur. Maar juist cultuur zorgt ervoor dat de ene plaats zich onderscheidt van de andere, dat de ene gemeente zichtbaar en merkbaar anders is dan de andere.
Sinds de oprichting van museum De Wieger in 1976 is de nu voorgenomen bezuiniging de vierde grote aanval vanuit de gemeenteraad van Deurne op het voortbestaan van het museum. En die aanvallen volgen elkaar steeds sneller op. De reden is telkens weer een financieel debacle aan de kant van de gemeente. Zo ook nu: de aankondiging van de bezuinigingen van de Rijksoverheid was nog niet binnen of Deurne werd geconfronteerd met extra bezuinigingen als gevolg van overmoedige grondspeculatie door het eigen bestuur. Er bleek een extra risicodekking nodig van een klein miljoen. De keuze werd niet gemaakt voor het terugdraaien van de 1 miljoen kostende verbouwing van het gemeentehuis of voor langdurig uitstel van voorgenomen bouw van een multifunctionele accomodatie voor de 900 inwoners van het kerkdorp Vlierden. Integendeel, de coalitie van het lokale “Doe”, CDA en PvdA koos ervoor om de nodige gelden voor de extra risicodekking weg te halen bij de culturele sector.
Er moeten keuzes gemaakt worden.
Deurne is te klein voor tafellaken en te groot voor servet. Dat is het beleid van Deurne ten voeten uit, zowel bestuurlijk als cultureel. Eigenlijk is er geen bestuurlijk draagvlak voor culturele instellingen. En er is geen consistent cultuurbeleid; bij ieder volgend financieel incident zullen de gevolgen weer worden afgewenteld op instellingen die niet bijdragen aan de gemeentelijke belastinginkomsten. Bij de huidige voorstellen betekent dat voor de meeste instellingen onherroepelijke sluiting. Tenzij er een uitweg valt te bedenken.
Uitweg.
Nederland heeft als weinig andere landen zijn schilderijen door de eeuwen heen verzameld en opgeslagen en dat heeft geresulteerd in een ongekend hoge museumdichtheid. In de regio zijn dat De Wieger met een interbellumcollectie, het Eindhovense museum Kempenland met Brabantse schilders die de agrarische samenleving hebben vastgelegd, en het Helmonds Gemeentemuseum dat gespecialiseerd is in de industriele ontwikkeling van de afgelopen eeuw. Samen met het Museum Jan Cunen uit Oss met als expertise cultuureducatie en het Udense museum voor religieuze kunst zou de combinatie van musea het hele terrein van de Brabantse geschiedenis bestrijken, agrarisch, industrieel, sociaal en religieus. Samenwerking die geleidelijk kan uitgroeien tot een museum van de werkende en emanciperende mens in Brabant, van boer tot ingenieur tot dienstverlener. Een post-industrieel museum met een samenhangende kunstcollectie waaruit reizende tentoonstellingen worden samengesteld die laten zien hoe de ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en vooral waarom dat zo gebeurde. Waarom is Brabant een belangrijke drager geworden van de Nederlandse economie en welke sociale ontwikkelingen hebben daarbij een rol gespeeld ?
Financieel perspectief.
Niet alleen gemeenten bezuinigen op de cultuursector. Het is de Rijksoverheid die de toon heeft gezet. Het lijkt er op dat de ontwikkeling gaat in de richting van een niet-participerende overheid. Culturele instellingen moeten op korte termijn drastisch op de kosten besparen en op langere termijn de eigen inkomsten genereren; de burger moet eigen deelname betalen.
Optimalisering van de organisatiestructuur lijkt op termijn een redelijke mogelijkheid om tot besparing van kosten te komen. Zo zal beheer van vijf of zes collecties meer kosten dan van een grote gezamenlijke collectie. De expertise van de individuele instellingen kan worden aangewend voor alle. Gezamenlijk samengestelde tentoonstellingen kunnen worden verhuurd als instrumenten voor de cultuur educatie en rondreizen door Brabant. Eigen transport en verzekering zou forse bezuiniging kunnen leveren. Zulk soort exposities zouden interessant kunnen zijn voor sponsoren, niet zozeer om er invloed op uit te oefenen, maar om hun eigen invloed op ontwikkeling zichtbaar te maken.
Beheer van de gebouwen blijft een belangrijke kostenfactor. Veel van die gebouwen zijn echter Rijksmonument waarvoor de gemeente van vestiging aansprakelijk is.
De mogelijkheden voor De Wieger om geheel op eigen benen te staan lijken vooralsnog beperkt. De gevolgen van intensieve samenwerking moeten in de praktijk duidelijk worden. Dat zal echter een jaar of vijf kosten. We kunnen redelijkerwijs aannemen dat de economie in die tijdspanne zal verbeteren. Maar de ontwikkelingen naar privatisering van de culturele sector zijn nu duidelijk ingezet en worden niet meer teruggedraaid. Ook niet over vijf jaar.
Ik vind het raadzaam om maar heel snel het overleg in te gaan. Het huidige voorstel van de Raad tot bezuiniging is een illusie en leidt tot niets. Aanpassing van de hoogte tot draagbaar niveau is vereist. Het alternatief is de deur te sluiten. Dan verliezen we veel in Deurne.
Leo van Griensven
Deurne, 15 juni 2011.
